De drie vormen in het kort
Er zijn drie aflosvormen. Twee daarvan (annuïtair en lineair) geven recht op hypotheekrenteaftrek voor nieuwe hypotheken; de aflossingsvrije vorm niet.
| Vorm | Maandlast | Aflossing | Renteaftrek (vanaf 2013) |
|---|---|---|---|
| Annuïteit | Gelijk, daalt netto na verloop van tijd | Loopt op | Ja |
| Lineair | Hoog begin, daalt geleidelijk | Vast bedrag per maand | Ja |
| Aflossingsvrij | Laag (alleen rente) | Geen (tot einde looptijd) | Nee (m.u.v. overgangsrecht) |
Annuïteitenhypotheek
De meest gekozen vorm. Je betaalt elke maand hetzelfde brutobedrag: in het begin veel rente en weinig aflossing, later andersom. Comfortabel en voorspelbaar, maar je lost in de eerste jaren langzaam af.
Lineaire hypotheek
Je lost elke maand een vast bedrag af, waardoor je schuld — en dus je rente — sneller daalt. De maandlast begint hoog en wordt steeds lager. Op de lange termijn betaal je minder rente dan bij annuïtair, maar je moet de hogere startlast wel kunnen dragen.
Aflossingsvrije hypotheek
Je betaalt alleen rente en lost pas aan het einde van de looptijd af (of verlengt). De maandlast is laag, maar je bouwt geen vermogen op en voor nieuwe hypotheken is er geen renteaftrek. Aan het einde van de looptijd ontstaan vaak vragen — lees aflossingsvrije hypotheek oversluiten.
Van vorm wisselen bij oversluiten
Oversluiten is hét moment om je vorm te heroverwegen. Wil je lagere lasten nu, dan kan (deels) aflossingsvrij of een langere looptijd helpen — al kost dat op termijn meer. Wil je juist sneller aflossen en minder rente betalen, dan is lineair aantrekkelijk. De fiscale gevolgen lees je bij oversluiten en renteaftrek.
Indicatieve informatie. De beste vorm hangt af van je inkomen, horizon en fiscale situatie. Laat het doorrekenen door een AFM-adviseur.